EW01 cover 600
Juni 2025

Waar moet je op letten bij leidingaanleg?

Hot topic

50 01

Onder de verzamelnaam leidingen vallen kabels, draden en snoeren waar elektrische geleiders door lopen. Leidingsystemen zijn de leidingen met het bijbehorend materiaal, zoals aansluitdozen, bevestiging en draagsystemen. Leidingen en leidingsystemen moeten volgens Nen 1010, bepaling 522, zodanig worden aangelegd dat beschadiging wordt voorkomen. Ze moeten voldoen aan brand- en elektrocutieveiligheid en herkenbaar zijn.

Alle leidingen en leidingsystemen moeten passen bij de omgevingsinvloeden waar ze worden geïnstalleerd. In Nen 1010, bijlage 51.A en B, worden ruim 40 mogelijke invloeden gedefinieerd. Enkele voorbeelden van invloeden waarop moet worden gelet (let op: Nen beschrijft vele invloeden die relevant kunnen zijn voor een specifieke situatie):

• Temperatuur (AA). De minimale en maximale temperatuur van aderisolatie en mantel moet passen bij de toepassing. Enkele voorbeelden:
De aderisolatie in een leiding in een sauna moet geschikt zijn voor een temperatuur van minimaal 170 °C als deze wordt toegepast in zone 3 (de mantel en het leidingsysteem minimaal 125 °C).
Voor pv-installaties buiten moeten de -/+-leidingen (met een enkele geleider daarin) en het overige leidingmaterieel bestand zijn tegen een omgevingstemperatuur van minimaal 70 °C.
Bij kabelberekening bepalen onder andere de installatiemethode, de omgevingstemperatuur, het aantal leidingen bij elkaar en het toegepaste isolatiemateriaal van leidingen wat de minimale doorsnede moet worden om de leiding een bepaalde stroom te laten voeren en daarbij de maximale temperatuur niet te overstijgen.
Fabrikanten van leidingen en leidingsystemen geven bij de specificaties de temperatuurgrenzen op waarbinnen het materieel mag worden toegepast. Zo geeft kabelfabrikant TNF voor een YMvK op; -40 °C – 70 °C en een maximale adertemperatuur van 90 °C.

1e cijfer

mechanische sterkte

maximale druk [N]

1

zeer licht

125

2

licht

320

3

gemiddeld

750

4

zwaar

1.250

5

zeer zwaar

4.000

Tabel 1. Mate van mechanische sterkte.

 

2e cijfer

slagvastheid

valgewicht [kg/cm]

1

zeer licht

0,5 kg – 10 cm

2

licht

1,0 kg – 10 cm

3

gemiddeld

2,0 kg – 10 cm

4

zwaar

2,0 kg – 30 cm

5

zeer zwaar

6,8 kg – 30 cm

Tabel 2. Mate van slagvastheid.

 

IK-code

energie-inhoud van de stootbelasting [J]

00

geen bescherming

01

0,14

02

0,20

03

0,35

04

0,50

05

0,70

06

1,00

07

2,00

08

5,00

09

10,00

10

20,00

Tabel 3. IK-codering relatie tegen stootbelasting (J).

 

50 02De gele pvc-buis is niet UV-bestendig,

• Mechanische stootbelasting (AG). Leidingen moeten zodanig worden gekozen en/of worden aangelegd dat de kans op mechanische beschadiging minimaal is. Nen 1010 definieert licht-, matig en zwaar gebruik (AG 1, 2 en 3) zonder meestal exact aan te geven waaraan het dan moet voldoen. Voor sommige omstandigheden is dit wel in Nen 1010 specifiek beschreven met de IK-codering (Kentic = bewegingsenergie). Enkele voorbeelden:
Zo moeten leidingen die in de grond worden toegepast voldoende diep (> 50 cm) liggen, worden omgeven door een mantelbuis of mechanisch worden beschermd door afdekking of afscherming (aardscherm, Kas-kabel) (Nen 1010, bepaling 522.8.10). Als pvc-buizen worden toegepast dan zijn er de gele pvc- en grijze Hostalit-buizen. 

50 03de grijze Hostalit-variant wel.

Daar waar mechanische beschadiging is te verwachten, zoals bij leidingen in zicht in een garage, schuur of bedrijfsmatige ruimten, moeten slagvaste (grijze) buizen worden toegepast. De mate van mechanische sterkte en slagvastheid is af te lezen uit de eerste twee cijfers van de code die op deze buizen staat vermeld. Bij slagvaste buis moet het tweede cijfer een 4 of 5 zijn.
Een pv-installatie die buiten wordt toegepast en materieel op jachthavens moet een minimale beschermingsgraad hebben van IK07 (Nen 1010, bepaling 712.512.102). Al het materieel van een EV-laadinrichting op een openbaar terrein moet bestand zijn tegen een stootbelasting van minimaal IK07 (Nen 1010, bepaling 722.512.103).
Ook materieel dat wordt toegepast op bouwplaatsen moet een beschermingsgraad hebben van minimaal IK07. Verplaatsbare leidingen die hier worden toegepast moeten van het type ‘zwaar gebruik’ zijn (Nen 1010, bepaling 704). Dit zijn bijvoorbeeld leidingen met de codering H07. De keuze van leidingen (op bouwplaatsen ) is beschreven in Nen 1010, bijlage 700.A1. Een bouwkast moet minimaal bestand zijn tegen 6 Joule (Nen-EN-IEC 61439-4), ofwel minimaal IK09.

UV-bestendigheid

Leidingen die worden blootgesteld aan zonlicht, moeten in voldoende mate beschermd zijn tegen de gevolgen van ultraviolette straling. UV-straling breekt de chemische bindingen van het polymeer af, waardoor de mechanische eigenschappen verslechteren. De gele pvc-buis (en bijbehorende dozen) zijn bijvoorbeeld niet UV-bestendig en daarom geen juiste keuze om buiten toe te passen. De grijze Hostalit-variant is dat wel.

 

buis

 

verticaal aangelegd [cm]

niet verticaal aangelegd [cm]

staal of Hostalit-buis

100

100

pvc-buis

50

40

flex-pvc-buis

40

30

kabel

zonder wapening ≤ 6 mm2

40 en ≤ 20 x D*

30 en ≤ 20 x D*

overig maximaal

100 en ≤ 30 x D*

100 en ≤ 30 x D*

* D = diameter van de leiding

Tabel 4. Maximale beugelafstanden.

 

Ondersteuning

Leidingen die niet over de hele lengte worden ondersteund moeten op gepaste afstand worden ondersteund met geschikte middelen, zoals beugels en klemmen, zodat ze niet door hun eigen gewicht gaan doorhangen. Aan weerszijde van elk hulpstuk, zoals een lasdoos en een bocht, moet binnen 10 cm een beugel worden geplaatst. De maximale afstand tussen twee beugels bij buizen en kabels staat in tabel 4.

 

code

klasse

kenmerken

toepassing

verwijzing

BD1

normaal

lage bezettingsgraad, makkelijk evacueerbaar

woningen

 

BD2

moeilijk

lage bezettingsgraad, moeilijk evacueerbaar

hoogbouw

Nen 8012

BD3

gedrang

hoge bezettingsgraad, makkelijk evacueerbaar

warenhuis, theater, bioscoop

Nen 8012

BD4

moeilijk gedrang

hoge bezettingsgraad, moeilijk evacueerbaar

hoogbouw toegankelijk voor publiek: ziekenhuis, hotel en dergelijke

Nen 8012

Tabel 5. Brandklassen.

 

leidingklasse

brandrisico

Eca

laag

Dca, s3, d2, a3

middelgroot

Cca, s1, d1, a1

groot

B2ca, s1, d1, a1

zeer groot

Tabel 6. De vier kabelklassen.

 

Brandveiligheid

Leidingsystemen moeten zodanig worden aangelegd dat het risico op brandverspreiding tot een minimum wordt beperkt en dat de mechanische sterkte van het bouwwerk de brandveiligheid niet negatief beïnvloedt (Nen 1010, bepaling 527) door de leiding(systemen).
Aan de keuze van leidingen die worden toegepast in bouwwerken worden eisen gesteld in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze eisen volgen de Europese productverordening die praktisch is vertaald in Nen 8012. Materieel wordt in Nen 1010 ingedeeld in 4 BD-klassen, gebaseerd op het vrijkomen van hinderlijke stoffen die de vluchtweg of het vluchten kunnen hinderen. Bij deze classificatie worden eisen gesteld aan het gedrag van leidingen ten aanzien van rookontwikkeling (s), brandende druppels (d) en vrijkomende gassen die corrosief (bijtend) zijn (a). ­Leidingsystemen moeten nu aantoonbaar voldoen aan brandeigenschappen die passen bij de toepassing. Met een DOP-nummer (declaration of performance) bij de kabel zijn de eigenschappen van een leiding herleidbaar bij de fabrikant. Er zijn vier leidingklassen: Eca., Dca, Cca en B2ca.

Tekst: Anton Kerkhofs
Fotografie: iStock, Wavin

 

In deze rubriek, tot stand gekomen in ­samenwerking met de afdeling Techniek & Markt van Techniek ­Nederland, behandelen wij actuele technische onderwerpen waar installateurs in hun vak mee te maken kunnen krijgen. Heeft u ook een Hot topic?
Stuur hem dan naar media@technieknederland.nl.

 

Lees meer artikelen in het dossier Laagspanningsinstallaties